Hoofdstuk 1 (Engels/Nederlands)
Lijst downloaden(!)
Leren
Engels
Nederlands
spouses
echtgenoot, echtgenote
offspring
kroost, kinderen
siblings
zus, broer
infants
klein kind (onder de 7 jaar)
youth
jongen, jongeman
elderly
bejaarden
ancestors
voorouder
posterity
nageslacht
hereditary
erfelijk
humanity
mensheid
descend from
afstammen van
tribe
stam
allies
bondgenoot
associate
relatie
guardians
voogd
reared
opvoeden, grootbrengen
shack up
samenwonen
fancies
verliefd zijn
marital
huwelijks, huwelijks
matrimony
huwelijk
alimony
alimentatie
womanizer
rokkenjager
adultery
overspel
bigamy
bigamie, gelijktijdig getrouwd zijn met 2 personen
single
alleenstaand
gap
kloof
rows
ruzie
maintain
onderhouden
affection
genegenheid
faithful
trouw
age
ouder worden
resemble
lijken op
familiar
bekend
guestroom
logeerkamer
coffin
doodskist
deceaded
overledene
bereavement
sterfgeval, verlies van een dierbare
obituary
overlijdensbericht
cemetry
kerkhof
orphan
wees